Archief van het Koninklijk Theater Carré Amsterdam

Archief van het Koninklijk Theater Carré Amsterdam
Periode 1887 – 2005

Inleiding

Koninklijk Theater Carré
De geschiedenis van Koninklijk Theate Carré begint in 1830 in een sloppenwijk in Rotterdam. Een straatarme en alleenstaande moeder, Adriana de Gast, geeft haar zesjarige dochtertje Cornelia voor tien jaar mee aan Christian Traugott Gärtner, directeur van een rondreizend circus. De verklaring die zij op 20 augustus tekent, is bewaard gebleven. Gärtner belooft Cornelia een goede opvoeding te geven en haar te leren lezen en schrijven. De moeder zal ‘altijd de vrijheid hebben’ om haar dochtertje te komen bezoeken. Adriana hoopte haar dochtertje op deze manier een betere toekomst te geven. Het is een in onze ogen wat ongewone stap, maar in die tijd werd het vaker gedaan. En soms pakte het wonderwel goed uit. Zoals bij Cornelia, die zich onder haar artiestennaam Kätchen Gärtner zou ontwikkelen tot een van de beste circusamazones van Europa. Ze trouwde op achttienjarige leeftijd met paardenkunstenaar/paardenfluisteraar Wilhelm Carré. Ze kregen twee zoons. Oscar, de oudste en grondlegger van het theater Carré aan de Amstel, en een paar jaar later Adolf.

Wilhelm Carré, die werd geboren in 1817, stamt uit een oud circusgeslacht. Zijn vader Joseph, afkomstig uit het Oost-Pruisische Rössel (nu het Poolse Reszel) reisde rond met een circus genaamd ‘Künstler-Familie J. Carré’, met koorddansers, acrobaten en dressuur- en rijkunsten op paarden. Wilhelm, de oudste zoon, treedt al jong op, samen met zijn twee jongere broers en twee zusjes. Hij is een talent als paardenkunstenaar en leert behalve dressuur en kunstrijden ook de voltige (het op en van een dravend paard springen) en de bareback (acrobatiek op een paard zonder zadel). Zijn specialiteit wordt de illuminatiesprong, waarbij hij met zijn lievelingshengst Mehmed Ben Zariff, een Arabische volbloed, een hindernis van 48 brandende toortsen neemt. Hij ontwikkelt ook de gave om stil met paarden te communiceren en zijn ‘wapenfeiten’ als paardenfluisteraar zullen later in de Nederlandse pers breed uitgemeten worden.

Na het overlijden van zijn moeder Maria Carré-Kästner in 1840 worden Wihelm en zijn broers en zussen ondergebracht bij het circus van Rudolph Brilloff. Deze is een paardenkunstenaar met een grote reputatie en bij hem leert Wilhelm nog beter de kneepjes van het vak. Brilloff legde zich toe op de zogenaamde paardenpantomime: drama’s ontleend aan de Griekse mythologie of de geschiedenis. Bij Brillof leerde Wilhelm ook Kätchen Gärtner kennen. Zij was gracieus en beeldschoon en als kunstrijdster gespecialiseerd geraakt in het panneaurijden: dans en acrobatiek op een ronddravend paard, dat is voorzien van een breed, plat zadel, panneau genoemd.

Kätchen en Wilhelm trouwen in 1842 en monsteren een jaar later aan bij het circus van de Italiaanse Alessandro ‘Il Furioso’ Guerra. Ze maken een succesvol tournee door Rusland, Oostenrijk en Duitsland. Ze hebben daarnaast gastoptredens in het circus van Eduard Wollschläger, dat beurtelings in Berlijn en Amsterdam optreedt. En met dit circus, tijdens de jaarlijkse kermis op het Amstelveld, vertonen zij hun kunsten voor het eerst aan een Nederlands publiek.

De verschillende circusfamilies, die van Carré, Renz, Salomonsky en Wollschläger, verdeelden voor hun optredens in de loop van de tijd de verschillende delen van Europa en Rusland. De Carré’s, inmiddels met een eigen circus, trokken steeds vaker richting West-Europa en specifieker, richting Nederland.

In Nederland was geen sterke circustraditie aanwezig .In Amsterdam werden paardenspel en andere circuskunsten vertoond in een houten tent tijdens de jaarlijks septemberkermis, die gelijktijdig plaatsvond op de Botermarkt (Rembrandtplein), het Koningsplein, de Nieuwmarkt en het Amstelveld. Het paardenspel van Jacob en Mozes Blanus op het Amstelveld was vooral een begrip. In 1864 krijgt Wilhelm Carré vergunning om met zijn circus op te treden, op 12 september op het Amstelveld. Oscar en zijn broer Adolf treden op, er wordt gejongleerd, er is acrobatiek, er wordt gedanst op paarden en er is een ‘gedaanteverwisseling’ door ene Madame Cariot. Het kermispubliek is zwaar onder de indruk en ook lieden uit de hogere standen bezoeken de voorstelling. Circus Carré heeft een grandeur, die men in Nederland niet kende. In de Amsterdamse dagbladen verschijnen jubelende recensies.

De jaren daarna blijft Circus Carré op zijn tournee regelmatig Amsterdam en andere plaatsen aandoen. In Amsterdam slaan ze hun houten tent op in de tuin naast het Paleis voor Volksvlijt, de schepping uit 1864 van de armenarts en ondernemer Samuel Sarphati. Circus Carré is met zijn paardenkunsten inmiddels een begrip. Het bevalt de familie Carré goed in Nederland en in Amsterdam en in 1867 betrekken zij een woonhuis in de Plantage, aan de Middenlaan 13, (huidig nummer 112). In 1868 neemt Oscar het stokje over van zijn vader Wilhelm.

Oscar borduurde verder op de lijn, die zijn vader Wilhelm met het paardenspel had uitgezet. Hij trekt ook nieuwe kunstenaars aan, zoals de broers John en William Price, die jongleren en vioolacts ten beste geven. Het publiek blijft onder de indruk en geestdriftig, ook omdat Oscar zijn programma voortdurend bleef vernieuwen en wijzigen. Niet alleen het kermispubliek bezocht de houten circustent, ook de hogere klasse en de koninklijke familie waren vaak aanwezig. In 1870 verzocht Oscar Willem III om het koninklijk wapen te voeren. De koning gaf toestemming en vanaf april van dat jaar is er sprake van het Koninklijk Nederlandsch Circus Oscar Carré.

Het voortdurend opbouwen en afbreken van de houten tent brengt veel moeite en kosten met zich mee en vanaf 1870 probeert Oscar Carré toestemming te krijgen van het Amsterdamse gemeentebestuur om een terrein te mogen bebouwen met een circusgebouw van steen. Dat gaat niet van een leien dakje. Het gemeentebestuur ziet er veel in, maar de gemeenteraad ligt dwars. De raad wil niet dit soort van vermaak in de stad en ook de jaarlijkse kermis wordt geleidelijk aan afgeschaft, tot woede van de bevolking. Oscar Carré gaat zijn heil elders zoeken. Wat in Amsterdam niet lukt, slaagt wel in Wenen. In het Prater verrijst in 1873 een circusgebouw, dat tien jaar mag blijven staan. Het gebouw is imposant en maakt op iedereen een grote indruk. Keizerin Sisi, die privérijlessen van Oscar krijgt tussen de voorstellingen door, schenkt hem een Arabische volbloedhengst, Mahmoud.

In Amsterdam beginnen de omstandigheden te veranderen. De contouren van wat later de Tweede Gouden Eeuw wordt genoemd, tekenen zich af. Er is sprake van economisch herstel en na het Paleis voor Volksvlijt in 1864 komen er hotels als Krasnapolski (1865), het Amstel Hotel (1867), en verschillende moderne café’s en theaters. In 1875 wordt het Vondelpark aangelegd en in 1888 openen het Concertgebouw en het Rijksmuseum de deuren en in 1894 het Stedelijk Museum en de Stadsschouwburg. Het tij keert en ook Oscar Carré lijkt zijn droom van een stenen circusgebouw te kunnen realiseren. Hij heeft een perceel op het oog aan het Weteringplantsoen. De bekende architect Gerlof Salm maakt een ontwerp, er komt een vergunning maar op het laatste moment in 1876 trekt Oscar zich terug. Hij moet zich verplichten om het gebouw minstens zes maanden per jaar gedurende drie dagen te bespelen. Uit ervaring weet Carré dat dit niet gunstig zal uitpakken: de frequentie is te hoog. Weer zoekt hij een plek om zijn droom te realiseren. In Keulen opent hij in 1879 een stenen circusgebouw met plaats voor meer dan 3.000 bezoekers.

Oscar Carré heeft echter zijn zinnen op Amsterdam gezet en in het najaar van 1879 weet hij een stukje grond te bemachtigen aan de Binnen-Amstel. Hij krijgt permissie om te bouwen en op 10 januari 1880 is de openingsvoorstelling. Oscar Carré heeft een bescheiden houten gebouw laten neerzetten, met een voorgebouw van steen. Drommen bezoekers trekken naar Carré om de paardenkunsten te zien, de jongleer- en acrobatiekacts en een stoet van exotische dieren, die logeren in het nabijgelegen Artis. Er is ook een ‘Domme August’, gespeeld door Jacques Schuitenvoerder. De laatste is zeer succesvol. Oscar Carré durft het aan om een lachgarantie aan te bieden: honderdduizend centen voor degene, die weggaat zonder gelachen te hebben. Hij heeft het nooit uit hoeven keren.

In 1882 moeten alle houten theatergebouwen in Amsterdam vanwege brandgevaar hun voorstellingen staken. Oscar Carré weet dan enkele percelen rond het bestaande gebouw aan te kopen, aan de achterzijde, de Onbekende Gracht. In 1886 ontwerpen de architecten J.P.F. van Rossem en W.J. Vuyk een circusgebouw, met stallen, een toneelhuis, een voorgebouw met foyer en hal en daarboven de woonvertrekken van de familie. In december 1887 wordt het nieuwe gebouw geopend. Het gebouw is een vierkant circus en leent zich door het interieur, een combinatie van piste en lijsttoneel, voor voorstellingen van allerlei aard. Er is plaats voor tweeduizend bezoekers.

In 1911 overlijdt Oscar Carré. Variétékoning Frits van Haarlem heeft inmiddels de programmering overgenomen en zijn voorstellingen zijn succesvol. De onderneming is in handen van de NV Oscar Carré’s Nederlandsch Circus, maar de circusvoorstellingen maken steeds meer plaats voor die van het variététheater, met ballet, kluchten en zang. De roem van Circus Carré begint wat te tanen.

In 1919 bieden de nakomelingen van Oscar Carré het gebouw te koop aan. Een groep investeerders rond de Duitse operettecomponist Max Gabriël koopt het pand. Voortaan zijn er vooral operettes, revues en toneelvoorstellingen te zien en vanaf 1920 bokswedstrijden.

Na verschillende directeuren als opvolger van Gabriël komt er een frisse wind in Carré waaien met de komst van Alex Wunnink. Hij zorgt voor een goede programmering en heeft zakelijk inzicht, wat bij zijn voorgangers nogal eens ontbrak. Op het programma staan de Italiaanse opera, de revue, operette, volkstoneel, variété en een nieuw fenomeen: wereldsterren. Onder andere Josephine Baker, de clown Grock en de Ballets Russes de Monte Carlo treden in Carré op.

In 1953 neemt de zoon van Wunnink, Karel, het directeurschap van zijn vader over. Tot aan 1960 is de programmering in de lijn van zijn vader, met op de eerste plaats ballet- en toneelvoorstellingen. In 1960 is het tijd voor een nieuw fenomeen: de musical. De allereerste musical is Show Boat, gevolgd door Porgy and Bess en vele, vele andere. Dit kan niet verhinderen dat Carré in de rode cijfers komt. De directie moet noodgedwongen tot verkoop overgaan. In 1963 koopt de Exploitatie Maatschappij Scheveningen (EMS) van Reinder Zwolsman theater Carré. Aanvankelijk verandert er niets en is de programmering als altijd breed. Nieuwe ster is Toon Hermans, er zijn verder revues, balletten en musicals. Maar in 1963 kondigt Zwolsman aan dat hij Carré kwijt wil. Slopen is een optie, en dan een nieuw hotel op de plek. In Amsterdam spreekt men van een ‘moordaanslag op de stad’. In 1968 is het definitief: Zwolsman besluit het gebouw te laten slopen. Amsterdam is in rep en roer en zelfs wordt Carré enige tijd ‘bezet’. De gemeente kan uiteindelijk de sloop voorkomen door het bestemmingsplan van de plek vast te stellen: het is voor een recreatief-artistieke accommodatie. Een sterrenhotel is van de baan. In 1972 huurt de gemeente Amsterdam het pand van Zwolsman voor tien jaar. De overeenkomst wordt in 1977 omgezet in een koopcontract.

Inmiddels is directeur Karel Wunnink overleden. De acteur Guus Oster volgt hem op. In de programmering zijn popconcerten, onemanshows, musicals en revues, circusvoorstellingen, theater en ballet. Vanaf 1983 is Bob van der Linden directeur en Hubert Atjak adjunct-directeur. Ze zijn een succesvol duo en in 1987 wordt het eeuwfeest gevierd met de musical Cats. En ook krijgt theater Carré het predikaat ‘Koninklijk’.

In 1993 wordt het oude toneelhuis gesloopt om plaats te maken voor een groter toneel met aanbouw, dat voor een deel in het water van de Onbekende Gracht staat. In 1997 volgt Hein Jens Bob van der Linden op als directeur. Hij gaat een grootscheepse verbouwing leiden, die miljoenen kost maar succesvol zal zijn. Het gebouw wordt voor een deel dichter bij zijn oorspronkelijke vorm gebracht. In 2004 wordt Carré heropend. In 2005 halveert de gemeente de subsidie en in 2009 stopt deze helemaal. Carré slaagt erin om te blijven voortbestaan zonder subsidies. In 2012 treedt er voor het eerst in de geschiedenis van Carré een vrouwelijke directeur aan, Madeleine van der Zwaan. Het 125-jarig bestaan wordt onder haar directeurschap gevierd.

Verantwoording van de inventarisatie
Dit archief met een lengte van ca. vijftig meter beslaat de periode van 1887 tot 2005. Een klein deel van het archief betreft de bedrijfsvoering en de organisatie. Het overgrote deel van het archief bestaat uit dossiers over voorstellingen. De dossiers waren bij de overdracht van het archief in drie bestanden verdeeld: dossiers afkomstig van Alex Wunnink, van Karel Wunnink, en voorstellingendossiers algemeen. Er is overlap tussen de drie bestanden. Bij het ordenen van deze dossiers is de oorspronkelijke ordening aangehouden. De dossiers waren alfabetisch opgeborgen, onder de beginletter van de artiest of het gezelschap, maar ook wel onder de naam van de voorstelling. Het verdient daarom aanbeveling om bij het raadplegen van de inventaris onder beide te zoeken. Bijvoorbeeld de stukken betreffende de voorstelling De Feeks van De Appel: deze kunnen onder de F of onder de A aangetroffen worden. De dossiers bevatten zowel voorstellingen van derden die in Carré werden opgevoerd als eigen producties. Vooral Alex Wunnink, maar ook andere medewerkers en directeuren van Carré, produceerden eigen voorstellingen en exploiteerden eigen gezelschappen, die al dan niet in Carré optraden. In 1986 werd hiertoe een aparte stichting in het leven geroepen, de Stichting Carré Theaterproducties. Buiten de voorstellingendossiers is veel los materiaal betreffende voorstellingen, gezelschappen en artiesten aangetroffen. Dit is apart beschreven. Het audiovisuele materiaal van de voorstellingen was los van de dossiers bewaard, maar dit is zoveel mogelijk aan de dossiers toegevoegd.

De affiches zijn om praktische redenen onder een aparte rubriek beschreven. Het verdient dus aanbeveling om, indien u materiaal van een desbetreffende voorstelling zoekt, in verschillende rubrieken te kijken. De dossiers van Karel Wunnink, de algemene voorstellingendossiers, de affiches en losse stukken vermelden altijd de artiest/het gezelschap en de titel van de voorstellingen, de dossiers van Alex Wunnink zijn echter geordend op beginletter en hier kunt u dus helaas niet op naam van uitvoerende of productie zoeken.

Niet bewaard is ter kennisname ingekomen en verzameld materiaal over voorstellingen die uiteindelijk niet door Carré geprogrammeerd werden. Digitaal ingekomen promotiemateriaal van derden over uitvoerenden en voorstellingen, bedoeld om te worden afgedrukt in programma’s, op flyers e.d. is eveneens niet bewaard behalve in de vorm waarin Carré er al dan niet gebruik van heeft gemaakt. Ook ter kennis ingekomen audiovisueel (digitaal en analoog) materiaal over voorstellingen, zoals viewing copy’s, zijn niet bewaard. Overig analoog ontvangen promotiemateriaal van derden is in de voorstellingendossiers wel bewaard. In verband met eventuele auteursrechten kunnen de voorstellingendossiers voor het overgrote deel niet op aanvraag worden gedigitaliseerd.

De website van Carré is niet gearchiveerd. Op de website van The Internet Archive kunt u verschillende snapshots van de website van Carré terugvinden (Archive.org/web).

Een prachtig onderdeel van dit archief zijn de fotoalbums. Ze zijn voor het merendeel aangelegd door medewerkers van Carré en vormen een goede aanvulling op de dossiers van de voorstellingen. Soms ook zijn ze samengesteld door fans van een diva of van een gezelschap, en later aangeboden aan de directie van Carré.

Geraadpleegde literatuur: ‘Een plek om lief te hebben : geschiedenis van Carré’, door Mariëtte Wolf (Amsterdam 2012)

Archiefvormer
Koninklijk Theater Carré

Bron & meer informatie: Archief.amsterdam (10-03-2017)

Online archief van het Koninklijk Theater Carré Klik hier (gelijk rechtsboven op de webpagina)

Zie ook:
Opening expositie 130 jaar Carré in Stadsarchief
Erfgoed van de Week | Hooggeëerd Publiek aan de Amstel

Links:
Website Koninklijk Theater Carré
130 jaar Carré in Stadsarchief Amsterdam
Online archief Koninklijk Theater Carré

Volg Kermis.wordpress.com op en

Advertenties

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers liken dit: